Oude ambachten die op de jaarmarkten, beurzen, festiviteiten, jubilea, schoolactiviteiten,
activiteiten in verzorgings- en verpleeghuizen etc. te zien zijn,
Kniepertjes of nieuwjaarsrolletjes,
Een kniepertie (knijpertje, ook wel ijzerkoekje) is een zoete, dunne harde wafel die traditioneel rond de jaarwisseling wordt gebakken en gegeten in met name Drenthe, Groningen (kniepertjes, kniepkoukies) en Gelderland (de Achterhoek) Knieperties worden gebakken in speciale wafelijzers. Vroeger waren dit gietijzeren knijpijzers die boven het haardvuur werden gehouden. Nu worden elektrische wafelijzers gebruikt.
Het meest lijken knieperties nog op oubliehoorns zoals gebruikt voor schepijs, echter het recept is anders: zoeter, en met kaneel. Direct na het bakken, als het baksel nog warm is, kan het rond een stokje opgerold worden. Na afkoelen blijft een knapperig, hol rolletje over, dat door sommige mensen volgespoten wordt met slagroom. Anderen verkiezen een platgehouden kniepertie.
Oprollen
Volgens de traditie behoren de wafeltjes in december plat, als kniepertie, gepresenteerd te worden en vanaf nieuwjaarsdag als nieuwjaar rolletje (of rolletje of rollechie(n)). De gedachte hierachter is dat in december het oude jaar zich volledig heeft ontvouwen. Op nieuwjaarsdag symboliseert het rolletje het onbekende nieuwe jaar. De platte versie wordt vooral in Drenthe en Overijssel gegeten, de opgerolde versie (nieuwjaar rolletjes) meer in Groningen, Twente en de Achterhoek. Kniepertjes kennen een andere receptuur dan rolletjes. Beide worden in eenzelfde wafelijzer bereid. Rolletjes worden gemaakt van een vloeibaar beslag dat in het ijzer wordt geschonken. Na enkele seconden wordt het uit het ijzer gehaald en vlug rond een houten stokje opgerold tot een rolletje. Eenmaal afgekoeld kan het desgewenst opgevuld worden met slagroom.
Klompen maken,
Ongeverfde klompen werden met zand of schelpgruis schoon geschuurd en in sommige gebieden witten vrouwen daarna hun klompen met krijtwit. Ze droegen deze gewitte klompen in huis en wanneer ze naar de kerk gingen.
Het lopen op klompen vereist een speciale techniek. Iemand die nog nooit op klompen heeft gelopen, kan er veel moeite mee hebben en al snel zijn of haar klompen verliezen. Door bij het optillen van de voet de tenen te krommen wordt de klomp vastgehouden. Mensen die vaak op klompen lopen doen dit onbewust. Het lopen op klompen doet aanvankelijk pijn aan de wreef, maar dat went snel. Klompen worden meestal van populierenhout en wilgenhout gemaakt. Kenners beschouwen klompen als een warme en veilige vorm van voetbedekking. Traditioneel worden klompen in een gele kleur gelakt, soms met eenvoudige versieringen die van plaats tot plaats verschillen. Vaak doen de versieringen aan schoenveters denken, alsof men de klomp op een schoen wil doen lijken.
Door de week droeg men doorgaans ongeschilderde klompen. Bij de kerkgang was dat anders: mansklompen waren zwart geschilderd en vrouwsklompen naturel gelakt met een bloemmotief. Klompen uit de souvenirindustrie zijn vaak met molens of tulpen beschilderd.
Ook waren er klompen met scherpe metalen punten onder de klomp bevestigd, waarmee men op het ijs kon lopen zonder uit te glijden.
Anno 2010 ziet men in Nederland klompen alleen nog een enkele maal op het platteland. Veel (sier) klompen worden voor de souvenirindustrie gemaakt. Niet alleen van hout, maar ook van bijvoorbeeld Delfts blauw aardewerk.
Een steenhouwer, is iemand die gespecialiseerd is in het werken met steen. De kunst van de steenhouwerij omvat het delven van natuursteen tot het graveren van grafstenen tot het maken van decoratieve stukken. Om steenhouwer te worden, gaat iemand meestal in de leer bij een andere steenhouwer.Als Steenhouwer creëer je graag functioneel, mooi werk dat precies is gemaakt voor de behoeften van de klant. Of het nu een siersteen is voor een nieuw gebouw of een grafsteen voor een dierbare overledene. Dit beroep blijft nog steeds voor een belangrijk deel ambachtelijk omdat je het niet volledig kan mechaniseren. Veel moderne steenhouwers gebruiken wel geavanceerde gereedschappen zoals waterstralen en lasers kunnen, maar er wordt nog heel veel met de hand gewerkt.
Manden vlechten,
Het vlechten van manden gebeurt met Wilgentenen.
De wilgentenen worden gesneden in de maanden december, januari, februari en maart, daarna worden ze op maat gebundeld en weg gelegd om te drogen. Dit duurt ongeveer 4 á 5 maanden. Ze verkleuren van groen naar bruin. alvorens we ze weer kunnen gebruiken leggen we ze ongeveer 14 dagen in het water om het weer soepel te maken en daarna kunnen we er een mand van vlechten.
Alle hout word zelf gezaagt bijvoorbeeld koeien schapen paarden en tractors en houten bloemen De mallen tekenen we samen uit op een houten mal En ik teken de gezichtjes overal op en maak waar nodig is de plankjes er onder En we maken ook draaimolens dat is een houten rondje ik maak gaatjes in het hout en trek er lint doorheen en plaats een ronde knop er bovenop zo kan als je hem ronddraait hij vanzelf door het lint weer terug draaien en dan maak ik er vaak drie houten figuren op schaapjes of paarden olifantjes of iets anders Kinderen vinden dat heel mooi En verder maken we vaak boerderij dieren met een puzzel klein diertje er in . En we maken ook schulpturen van hout en ook raamhangers van hout met paarden er in uitgezaagd waar ik dan linten aan maak En halsterlinten om de paardenkoppen knoop.
Stoelenmatten vlechten,
Een stoelenmatter vlecht de zitting van de stoel. Hiervoor worden vooral natuurlijke producten gebruikt: stengels van riet, rus, bies en van rotan gemaakte strengen. Deze worden geprepareerd voor dit doel. De rest van de stoel is meestal van hout. De stoelenmatter vlecht alleen de zitting. Het is een tijdrovend karwei. Deze stijl stoelen wordt tegenwoordig niet meer gemaakt. Vandaar ook dat het beroep van stoelenmatter grotendeels is uitgestorven. Er zijn nog maar enkele stoelenvlechterijen in Nederland te vinden, en daarnaast ook nog een aantal hobbyisten die dit ambacht uitoefenen. Tegenwoordig zijn er moderne kunststoffen, waarvan machinaal vlechtwerk wordt gemaakt en toegepast voor meubels.
Er kan onderscheid gemaakt worden tussen het ‘echte’ stoelenmatten en het ‘webben’ van stoelen. Matten is het met een koord-achtig materiaal ( ronde doorsnede ) zoals touw, riet en rotan volledig dichtvlechten van de stoelzitting. De ‘koorden’ liggen meestal verdeeld in vier vlakken, volledig naast elkaar en vormen een dichte structuur. Webben is het met lintvormig materiaal ( meestal geschild rotan ) in patroon vlechten van een opening. Dit hoeft geen stoelzitting te zijn, maar ook andere ‘openingen’ kunnen met webbing dichtgemaakt worden. Vaak toegepast met kant en klare webbing bijvoorbeeld bij het afdekken van CV radiatoren.
Kant is een produkt dat onder het handwerk valt. Het is een typisch westers modeverschijnsel. Kant is de naam voor verschillende soorten kantwerk die worden ingedeeld volgens techniek en kenmerken. Er zijn twee grote basissoorten: de kloskant is een kantsoort die met de hand wordt gemaakt met behulp van klosjes. (zie verder)
Naaldkant is een kantsoort die met de hand wordt gemaakt met behulp van naalden. Deze kantsoort vergt ander materiaal en heeft geen gelijkenissen met kloskant. Door de eeuwen heen ontstonden er vele variaties en soorten. Men mengde ook soorten kant door mekaar, zoals een mengsel van naald- en kloskant. In de loop van de geschiedenis ontstond de machinale kant, een goedkope oplossing voor de dure kantindustrie. Kant is een oud ambachtelijk product. Waar het is ontstaan, in Vlaanderen of Italië, weet men niet precies. Er was in die periode een nauwe culturele samenwerking tussen Vlaanderen en Venetië. Het is wel een feit dat er altijd meer kloskant werd geklost dan naaldkant omdat die goedkoper was.
Naaldkant is ontstaan uit open naaiwerk. Men versierde het boordje van de onderkleren dat uitstak boven de kleding. Daarvoor trok men draadjes uit de stof en men borduurde rond de ontstane opening, zowel horizontaal als verticaal. Op den duur trok men alsmaar meer draden uit om ingewikkelder versieringen te maken zodat er nog weinig stof overbleef. Tot iemand op het idee kwam om enkel met draden te werken. Men naaide de gespannen draden met een driegdraad vast op het patroon en men borduurde als voorheen. Men gebruikte dezelfde patronen. Dat is de reden waarom het zo moeilijk is om het ontstaan van naaldkant te bepalen. Op het afgewerkt product kon men niet zien hoe men was gestart met stof of met draden. Kloskant wordt gemaakt met behulp van kantklosjes. Deze klosjes worden altijd in paren gebruikt, die over het gehele werk bij elkaar blijven behoren. Op deze klosjes worden draden gewikkeld. Een ervaren kantklosster kan werken met honderden klosjes tegelijk, die zeer snel om elkaar heen geslagen worden. Na het maken van een aantal slagen wordt een speld in het patroon gestoken, wat het vlechtwerk op zijn plaats houdt. Als een klosje leeg raakt, wordt er opnieuw draad omheen gewonden, dat aan het uiteinde van de oude draad wordt vastgeknoopt. Het knoopje wordt met een fijne schaar zo kort mogelijk afgeknipt. Kant wordt toegepast in kleedjes en in losse stukken. Het resultaat wordt vaak ingelijst of op een andere manier achter glas gezet. Vroeger werd kant veel in zowel dames- als herenkleding gebruikt. Kant werd gebruikt voor kragen en manchetten, langs de zomen van jurken, in doopjurken etc.
De techniek,
Stukken gekleurd of gebrandschilderd glas worden worden eerst netjes op maat gesneden en daarna in H-vormige loodprofielen geschoven. Daarna worden alle contactpunten aan elkaar gesoldeerd. Om het raam waterdicht te maken wordt de ruimte tussen de loodlijst en het glas dicht gekit met stopverf gemengd met lijnolie. Om het raam extra stevigheid te geven zijn een paar doorgaande loodlijsten vaak voorzien van een stalen kern, het geheel wordt dan een stuk steviger. Bij nog grotere ramen kunnen ook nog stalen spijlen worden bevestigd voor extra stevigheid. Ook kan een raam natuurlijk bestaan uit meerdere deelramen, elk in een eigen sponning.
Modern glas in lood
De techniek van het glas in lood ambacht is in wezen niet veel veranderd, al is het gereedschap wel verbeterd. Ook de voorstellingen zijn in de loop van de tijd natuurlijk veranderd. Zelf houd ik erg van het maken afbeeldingen van dieren, vooral vogels. Dat kunnen zowel complete vensters zijn of voorzetramen of gewoon een hangend of staand paneel. Ook kan een glas in lood paneel in dubbel glas worden gezet zodat het goed geïsoleerd is. Restauratie
Na verloop van tijd kan het lood door contact met weer en wind zo aangetast en verzwakt zijn dat het vervangen moet worden. Het glas wordt uit het lood gehaald en zorgvuldig schoon gemaakt. Daarna wordt het in nieuw lood gezet en gaat het weer heel veel jaren mee. Ontzettend leuk om te doen! Als er ruitjes gebroken zijn, kunnen die gelijk vervangen worden.
Het haren van de zeis of het haarscherp maken van de zeis kent een oude traditie. Als we in de geschiedenis bladeren zien we allerlei methoden om de zeis “maai-klaar” te krijgen. We willen u graag meenemen in deze geschiedenis en met voorbeelden demonstreren.
Het zeisblad kent verschillende onderdelen, die een speciale naam hebben: de rug, punt, pad, blad, snede, hak, angel, doorn. Het belangrijkste onderdeel van het zeisblad –de angel- heeft een apart technisch verhaal. Daarnaast zijn er verschillende soorten bladen qua lengte, dikte etc.
De smidse zet de angel van de zeis in de juiste hoek of stand. De hoek moet passen bij de maaier.
Er zijn diverse hulpmiddelen om de zeis –los van de boom- scherp te maken. Als eerste smeden we een zogenaamd “haarpad”. Er zijn diverse hulpmiddelen waarmee het zeisblad gescherpt kan worden: haarspit of veldaambeeld, aambeeld smal en breed, slagdengel, knijpapparaat. Ik demonstreer graag hoe haren in zijn werk gaat. U mag ook zelf het haren ervaren aan de hand van een strookje “proefmetaal”. U ziet hoe het metaal aan de rand “uitgewalst” wordt en een scherpe rand vormt.
Tussendoor –tijdens het maaien- scherpen we de zeis met een strekel of een wetsteen.
We laten verschillende zithoudingen, veiligheidsaspecten en ergonomische functioneren zien.
Waarom slijpen uit de boze is, vertel ik u graag.
Een mandenvlechter, is een handwerkman die manden en ander vlechtwerk vervaardigt uit allerlei natuurlijke materialen zoals wilg, rotan, stro, rietstengels enz. In de westerse wereld is het een oud ambacht, dat enkel nog als hobby wordt beoefend en demonstreert. Het vlechtwerk in de handel is allemaal geïmporteerd uit lage loonlanden. Vlechtwerk is zoals alle handvaardigheden erg arbeidsintensief en weinig concurrentieel met moderne materialen. Waar het vroeger een noodzakelijk gebruiksvoorwerp was in huis, landbouw en visserij maar ook in de industrie is het momenteel eerder huisopsmuk en van decoratieve aard. Enkel in de ontwikkelingslanden behoudt het zijn oorspronkelijke functie. Het materiaal waar hier in de lage landen traditioneel mee gevlochten werd is de één jarige scheut van de wilg (Salix), die overigens ook wel de wis wordt genoemd. In de Ardennen werd ook wel hazelaar gebruikt. Hier wordt een heel andere techniek voor gebezigd en werd meestal slechts toegepast voor eigen gebruik. Dat vlechtwerk zeer oud is staat buiten twijfel. Door de vergankelijkheid van het materiaal is er zeer weinig van terug gevonden. Een mand van 100 jaar oud, is al heel respectabel. Toch zijn er enkele archeologische vondsten van enige duizenden jaren oud bekend. Onder andere een fuik die technisch zeer perfect is, welke gevonden is in de Leidse Rijn in Utrecht. Ook is er keramisch materiaal gevonden met afdrukken van vlechtwerk op. Dit staaft de hypothese dat de eerste gebakken potten met klei besmeerde manden zouden kunnen geweest zijn. Het vlechtwerk verbrandde natuurlijk bij het bakken maar liet zijn afdruk na op het aardewerk. De prehistorische mens vlocht de wanden van zijn woningen (band keramiekers) Hoe meer men zich vast vestigde en aan landbouw ging doen, hoe meer bevattende voorwerpen men nodig had. Primitief vlechtwerk heeft ook geen werktuigen nodig. Een vak met ingewikkelde werktuigen kan nooit oud zijn. Taalkundig heeft het woord vlechten in een aantal talen dezelfde stam wat ook een teken van grote ouderdom is.
Sokken breien met 4 pennen.
Sokken breien worden meestal van oudsher met 4 breinaalden gedaan. En werd er gebreid met Noorse sokken wol. Of wel van echte schapenwol wat door onze spinster word gesponnen. Tegenwoordig kan men sokken wol in veel kleuren en diktes kopen om mee te breien. Tegenwoordig kan men ook sokken breien met een rondbreinaald het voordeel van dat is dat de sokken dezelfde lengtes hebben.
Wol bestaat uit zachte, dunne haren van de vacht van sommige dieren. Mensen gebruiken wol (meestal afkomstig van schapen) voor kleding, dekens en dergelijke.
Wol onderscheidt zich van haar doordat het schubben heeft, waardoor er zaden en takjes in blijven hangen. Hierdoor wordt de huid van het schaap beschermd tegen beschadigingen. Verder is wol gekroesd. Het heeft tot 20 bochten per 2,5 centimeter. Hierdoor wordt de lucht goed vastgehouden, waardoor wol een goede warmte-isolator is. Beide eigenschappen, de schubben en de kroes, maken dat wol ook makkelijk gesponnen kan worden. De vezels haken namelijk makkelijk in elkaar en blijven daarna aan elkaar vastzitten.
Onder scheerwol wordt verstaan de onbeschadigde wol, geschoren van een gezond en levend schaap. Scheerwol is in een winkel te herkennen aan het internationale wolmerk, dat in meer dan 100 landen wettelijke bescherming geniet. Wol soorten van mindere kwaliteit zijn herwonnen wol uit het verwerken van gedragen kleding of van garen en weefselafval in de textielindustrie, ook wel scheurwol genoemd. Blootwol of plootwol wordt verkregen door een chemische behandeling van de huiden van geslachte schapen. De meeste wol wordt geproduceerd in Australië, China en Nieuw-Zeeland. Naar schatting zijn er 1 miljard schapen op de wereld.
Voor het spinnen wordt wol gekaard. Daarbij worden de vezels ontward. Het kaarden gebeurt met een kam met stalen punten. Machinaal gebeurt dit met een snel ronddraaiende cilinder voorzien van stalen punten of zelfs een naaldenbed. Vroeger werden hiervoor de vruchten van een plant, de kaardenbol gebruikt. Met het kaarden verdwijnen ook de laatste restanten vuil. Na het kaarden kan er eventueel direct gesponnen worden. Voor een fijner resultaat moet echter eerst nog gekamd worden Om een betere regelmatigheid in het uiteindelijke garen te krijgen, dienen ook diverse rek- en doubleerpassages toegepast te worden, waarbij de lont steeds regelmatiger en dunner wordt.
Mosterd, is een in de keuken gebruikte kruidenpasta met meestal een scherpe smaak. Mosterd wordt gemaakt uit gemalen mosterdzaden, azijn, water, suiker en zout. Ook worden vaak kruiden en/of specerijen toegevoegd, zoals peper, mierikswortel, rozemarijn of zelfs lavendel. In navolging van Britse mosterdmakers wordt regelmatig kurkuma toegevoegd voor een intensere gele kleur. De naam komt vermoedelijk van most, het druivensap (nu de azijn) dat bij de bereiding werd gebruikt. De scherpe smaak van mosterd ontstaat pas als bepaalde enzymen tijdens de bereiding van de mosterd de glucosinolaten (mosterdglycosiden) omzetten. Daarvoor is ook de aanwezigheid van water nodig. Voor de bereiding van een simpele mosterdsoort is mosterdzaad, azijn, zout en naar smaak eventueel kruiden voldoende. Suiker is geen noodzakelijk ingrediënt en kan als men een zoetere mosterd wil eventueel door honing vervangen worden. Anders dan bij peper zijn de scherpe stoffen in mosterd vluchtig en prikkelen ook sterk het neusslijmvlies. Mosterdscherpte is ook vluchtiger dan die van rode peper.
B,A. is sinds de zomer van 1997 met het ambacht Hout Graveren bezig. Eerst heel bescheiden met wat klompen en eigen gezaagde boomplanken; aan een tafel van één vierkante meter had ze genoeg. In 1998 werd haar gevraagd om bij de Vereniging in Hellendoorn te komen en vanaf dat moment is ze verder gaan uitbreiden. Ze heeft nu wel 30 verschillende artikelen in haar assortiment. Ze maakt onder andere doosjes, kistjes, fles-openers, klompjes en klompen, vogelhuisjes, fotolijstjes en sleutelhangers. Voor elk wat wils. Als er iets speciaals is wat u/jij wilt hebben en het is er niet bij, dan kunt u uw wensen kenbaar maken en vervolgens maakt ze dat speciaal voor u. Alles wat maar van onbehandeld hout is, kan ze graveren, klein evenals groot. Van spaanplaat doosjes tot eikenhouten gevelplanken. Als ze op een markt wordt gevraagd, neemt een auto vol basismateriaal mee en maakt ze alles terplekke klaar terwijl de klant wacht of ondertussen even verder rondkijkt.
Haar kraam is gegroeid tot minstens drie strekkende meter en ze kan amper aan de vraag voldoen. Ze werkt met een speciale houtpen, die verstelbaar is in verschillende graden. Dus niet met een soldeerbrander zoals mensen vaak denken. Deze kun je niet verstellen en de bek is te groot. De brandertjes in de pen zijn verschillend van dikte, van knopspeld 0,1 cm tot 0,8 cm breed. Waarschijnlijk is ze de enige houtgraveerster in oostelijk Nederland die dit ambacht nog met de hand doet. Vele anderen werken nl. met een lasermachine, die na instellen alles kunnen graveren. Twee jaar geleden moest B.A. noodgedwongen overgaan naar boomplanken geleverd vanuit de groothandel om de prijzen voor iedere portemonnee betaalbaar te houden. De grote vraag stimuleert haar in haar hobby.
Een imker is iemand die zich bezighoudt met de domesticatie van bijen (bijenteelt of apicultuur), voor de bestuiving van planten of de winning van honing en bijenwas. Van de vier soorten honingbijen kunnen slechts de Apis mellifera en de Apis cerana door de mens worden gehouden. Lang voordat bijen door mensen werden gehouden, werd honing van in het wild levende bijen geoogst. De eerste berichten van bijenteelt dateren uit het oude Egypte. In de klassieke oudheid was het houden van bijen algemeen verspreid. Deze vroegste vormen van bijenteelt bestonden uit het vangen van bijenzwermen in uitgeholde boomstammen of aardewerken buizen, voor het oogsten van de honing moest het volk worden vernietigd. In sommige landen werd het houden van bijen in holle bomen tot ambacht verheven. Hiervoor werden dikke bomen van 4 tot 15 meter hoog gebruikt, waar de bijen in natuurlijke holten of door de mens uitgeholde plekken werden gehuisvest. Voor het verstevigen van de honingraten werden in de holten kruizen of raten geplaatst. Voor het verzamelen van honing werden lange nauwe uithollingen gebruikt. In Rusland vormde deze vorm van bijenhouden (daar bortnitsjestvo genoemd; van het woord 'bort'; "holle boom") tot in de 19e eeuw een belangrijke sector van de economie. Toen echter steeds meer bomen werden gekapt rond de plaatsen voor onder andere de landbouw, werd deze vorm van bijenhouderij daar geleidelijk aan vervangen door de bijenstal. Tot in de twintigste eeuw werden bijen in gevlochten bijenkorven gehouden. De methode van honing oogsten bleef hetzelfde. Omdat het bijenvolk daarvoor gedood moest worden, werd het zwermen aangemoedigd om aan nieuwe volken te komen. De introductie van de bijenkast met verwisselbare ramen in de negentiende eeuw (uitgevonden door Jan Dzierżon) zorgde voor een radicale breuk met het verleden. Het was nu mogelijk afzonderlijke raten uit de volken te halen, dat maakte het oogsten van honing eenvoudig en het afzwavelen van bijenvolken overbodig. Een andere ontwikkeling die bepalend is geweest voor de imkerij, is de komst van de varroa mijt naar Europa. Sindsdien is de bestrijding van de varroa een vast onderdeel geweest van het imkeren. De komst van de varroa mijt is voor veel imkers een reden geweest te stoppen met het houden van bijen. Honing wordt door de bijen gemaakt uit nectar. Honing kan in de lente, zomer en in de herfst worden geoogst, het hangt van de beschikbaarheid van nectarbronnen af wanneer precies. Honingsoorten van het voorjaar zijn fruithoning (Kers, appel, pruim en soms peer), wilgenhoning (als het weer goed is en er voldoende wilgen beschikbaar zijn) en soms paardenbloemhoning. Later kan de Kastanje honing opleveren en daarna de Acacia. De Linde is meestal de laatste belangrijke "dracht" voor de imker. Na de Linde is op de meeste plaatsen in Nederland niet veel honing meer te verwachten. Een uitzondering is soms de heide. Heidehoning is een heel speciale honing die door enkele imkers gewonnen wordt. Bijenwas wordt gebruikt voor de productie van kaarsen, zeep, boenwas, etc., en voor nieuwe kunstraat. Het wordt door vrijwel iedere imker gewonnen bij het vervangen van oude raten
Kaas maken.
Boerenkaas wordt uit verse rauwe melk bereid Deze wordt tot lichaams temperatuur opgewarmd, dan komt er een klein beetje stremsel bij om de droge stof in de melk te laten klonteren. Na ongeveer 30 minuten kan de dik geworden substantie gaan snijden met een speciaal kaas mes. Even weer wachten en dan kan het dunne ( de wei) worden afgetapt, Het overgebleven droge stof moet nu enkele malen gewassen worden alvorens het onder de pers komt om het in model te krijgen. Na enkele uren komt de kaas uit de pers en gaat het in een pekelbad om ongeveer 12 à 15 uur. Nu gaat de kaas het kaaspakhuis in om te rijpen, dit proces duurt 4 weken en dan heb je jonge kaas..
Maak jouw eigen website met JouwWeb